Vraag een willekeurige Nederlander naar het WK van 1974 en je krijgt geen uitslag, maar een gevoel. De bal die rondging voordat een Duitser hem had aangeraakt. Een strafschop in de tweede minuut. En daarna, langzaam, het besef dat het mooiste elftal van het toernooi met lege handen naar huis zou gaan. Sommige wedstrijden verdwijnen uit je geheugen. Deze niet.
Op 7 juli 1974 trapte Nederland af in het Olympiastadion, en binnen een minuut lag Johan Cruijff in het Duitse strafschopgebied. Johan Neeskens schoot de toegekende strafschop keihard door het midden, 0-1, nog voordat West-Duitsland de bal had aangeraakt.
Volgens het wedstrijdarchief van de KNVB was het de eerste keer dat een WK-finale zo vroeg een penalty zag. Wat volgde is bekend. Paul Breitner gelijk vanaf de stip, Gerd Müller vlak voor rust, en een 2-1 die generaties Nederlanders nooit helemaal hebben verwerkt. Het beste team verloor. Dat is precies waarom we het ons herinneren.
Vier jaar later stond Oranje er weer, ditmaal zonder Cruijff, in de heksenketel van het Estadio Monumental. Dick Nanninga kopte Nederland in de 82e minuut langszij, en in de slotseconden van de reguliere speeltijd kreeg Rob Rensenbrink de bal in een kansrijke positie. Zijn schot ketste tegen de paal. Een paar centimeter naar binnen en Nederland was wereldkampioen geweest.
In de verlenging liep Argentinië weg naar 3-1, en Rensenbrink heeft de rest van zijn leven moeten horen wat er had kunnen gebeuren. De Nederlandse voetbalgeschiedenis wordt niet bepaald door de bekers die we wonnen, maar door de momenten waarop we ze net misliepen.
Niet elk groot moment is een nederlaag. In de kwartfinale van 1998 controleerde Dennis Bergkamp in de 90e minuut een lange bal, kapte zijn tegenstander uit en werkte de bal langs de keeper. Argentinië uit, 2-1, een treffer die Bergkamp in interviews zelf de mooiste van zijn loopbaan noemde.
Wie het destijds zag, zag het één keer en moest wachten op de herhaling. Tegenwoordig staat zo’n moment binnen seconden online, vanuit acht camerahoeken, met de xG-waarde eronder. Fans die hun wedstrijden inmiddels met cijfers en context volgen, van verwachte goals tot de sportweddenschappen bij Betnation, hebben toegang tot een informatielaag waar de kijkers van ’74 alleen maar van konden dromen. Het kijken is veranderd. De kippenvelmomenten niet.
Het laatste echt onvergetelijke WK-moment is er een van pure euforie. In de openingswedstrijd van 2014 tegen regerend wereldkampioen Spanje, een herhaling van de verloren finale van 2010, zette Xabi Alonso de Spanjaarden vanaf de stip op voorsprong.
Vlak voor rust gaf Daley Blind een lange bal op Robin van Persie, die met twee voeten los van de grond door de lucht dook en de bal over Iker Casillas heen kopte. Het werd 1-1, en daarna een afstraffing van 5-1, met nog twee goals van Arjen Robben. Nederland werd dat toernooi uiteindelijk derde. Spanje kwam de groepsfase niet door.
Drie verloren finales, tegen drie verschillende landen, en toch praat half Nederland liever over 1974 dan over een willekeurige gewonnen kwalificatiereeks. Dat zegt iets over hoe voetbalherinnering werkt.
We onthouden geen eindstanden, we onthouden de seconde waarin alles nog kon. Nu het WK weer rolt, met een nieuwe generatie die zijn eigen Münchens en Marseilles moet zien te schrijven, is de vraag niet of Oranje een prijs pakt. De vraag is welk moment over vijftig jaar nog wordt naverteld.
Het is niet mogelijk om te reageren op dit artikel.
Het is niet mogelijk om te reageren op dit artikel.