Marten de Roon, die vorige week officieel de speler met de meeste wedstrijden voor Atalanta ooit is geworden, heeft openhartig teruggeblikt op misschien wel de grootste teleurstelling uit zijn carrière: het missen van de Europa League-finale in 2024. In gesprek met Ziggo Sport vertelt de middenvelder hoe hij direct besefte dat zijn droom in duigen viel.
“Ik voelde toen direct dat het voorbij was”, vertelt De Roon over het moment dat hij de blessure opliep in de verloren bekerfinale tegen Juventus. “Ik ben bijna nooit geblesseerd en op dat moment wist ik dat het een pijnscheut was die langer dan een week zou duren. Ik wist dat ik de grootste wedstrijd uit mijn carrière niet ging spelen.”
De impact was enorm. De Roon steekt niet onder stoelen of banken hoe zwaar die periode voor hem was. “Dat was heel verdrietig. Ik heb er vier of vijf dagen echt last van gehad. Ik heb alleen maar aan de keukentafel zitten huilen omdat het voelde als iets van mij waar ik bij moest zijn.”
De middenvelder denkt niet dat hij er ooit volledig overheen komt. “Ik denk dat ik het nooit ga verwerken. Het is wel beter geworden, maar er blijft een smetje op zitten. De teamfoto wordt genomen en daar sta jij niet op en dat voelt alsof je er geen aandeel in hebt gehad. Terwijl ik tot de finale alles heb gespeeld.”
Toch voelde De Roon in die moeilijke periode ook enorme steun van de achterban. Fans kwamen zelfs naar zijn huis met een spandoek. “Op dat moment kom je erachter wat je echt betekent. Daarop stond dat ik mijn trofee al had gewonnen en wat ik voor hen heb betekend. Niet alleen dat spandoek, maar ook alle berichten en verhalen… dat heeft me echt geraakt.”
Ook binnen zijn gezin liet de situatie diepe sporen na. Zijn vrouw en kinderen waren aanwezig bij de bekerfinale. “Mijn vrouw vertelde dat mijn kinderen hadden gehuild toen ik eraf moest. Mijn oudste dochter was op schoolreisje en barstte daar ook in tranen uit. We zijn als gezin vier of vijf dagen echt heel verdrietig geweest. Maar we hebben het wel samen gedeeld en dat was ook mooi.”
Na enkele dagen van verdriet moest De Roon zichzelf herpakken. Als een van de leiders binnen de ploeg voelde hij die verantwoordelijkheid ook. “Ik heb mezelf gezegd: je hebt tot zondag om depressief te doen. Maandag moet je er weer staan. Dat heb ik gedaan, maar dat was misschien ook wel een masker.” Want achter dat masker zat ook jaloezie, geeft hij eerlijk toe. “Ik was heel jaloers. Ik gunde het ze allemaal, maar ik wilde daar staan. Dat is misschien de egoïstische kant van het voetbal, maar ik voelde dat ik het verdiende.”