Mokio legt uit waarom hij verlengde bij Ajax
Jorthy Mokio zette begin april zijn handtekening onder een nieuw contract bij Ajax, waardoor hij tot medio 2031 vastligt in Amsterdam. In gesprek met De Telegraaf legt de middenvelder uit waarom hij heeft gekozen om bij te tekenen, terwijl hij ook in verband werd gebracht met buitenlandse clubs.
Mokio werd gedurende het huidige seizoen meermaals gelinkt aan een vertrek bij Ajax. De Belg had een contract tot medio 2027 in Amsterdam en leek niet voornemens dit te verlengen, waardoor een transfer voor de hand lag. Uiteindelijk zette hij een maand geleden toch zijn handtekening onder een nieuwe verbintenis.
Dat de onderhandelingen zo lang duurden, kwam volgens Mokio doordat alles goed geregeld moest worden. “Voor mij, voor de club en voor mijn ontwikkeling”, aldus de Belg. “Dat zijn dingen waar je zorgvuldig mee wilt omgaan. Het is fijn dat het allemaal netjes geregeld is.” Wat was doorslaggevend in zijn keuze om te verlengen? “Het plan dat Ajax met mij heeft. En ja, Jordi Cruijff speelde daarin een grote rol. Hij was duidelijk, eerlijk en ambitieus.”
Vervolgens mag Mokio uitleggen wat precies het plan van Ajax en Cruijff is. “Dat ik op termijn een dragende speler word. Iemand die het team bij de hand neemt in grote wedstrijden en die zich blijft ontwikkelen op topniveau, zodat ik de talenten van de toekomst straks weer op sleeptouw kan nemen”, vat hij het kort samen. De middenvelder noemt zijn drive zijn grootste kracht, maar ziet ook verbeterpunten bij zichzelf. “Constante focus, coaching en nog dominanter worden in de opbouw. Ik ben pas 18, dus eigenlijk is er nog heel veel te leren, zowel binnen als buiten het veld.”
Geldwolf
Tijdens de onderhandelingen tussen Ajax en Mokio ging het gerucht rond dat de jongeling een enorm salaris eiste en werd hij door sommige media als geldwolf bestempeld. “Dat was moeilijk. Je bent jong, je werkt hard, en dan word je neergezet als iets wat je niet bent”, maakt hij duidelijk. “Maar ik heb al snel geleerd om me te richten op de mensen die me écht kennen.”