KNVB vreest miljoenenverlies door WK-deelname
De KNVB gaat ervan uit dat er een miljoenenverlies wordt geleden door de deelname aan het WK, zo geeft directeur betaald voetbal Marianne van Leeuwen aan in gesprek met De Telegraaf. Alleen als Oranje het toernooi wint, zal de KNVB zwarte cijfers kunnen schrijven.
Het Nederlands elftal bereidt zich momenteel voor op het WK in Canada, Mexico en de Verenigde Staten. In gesprek met De Telegraaf blikt Van Leeuwen vooruit op het eindtoernooi en geeft ze aan dat dit WK logistiek een stuk ingewikkelder en duurder is dan het toernooi van 2022 in Qatar, waar de reisafstanden heel klein waren. De bestuurder krijgt de vraag hoe ‘lucratief’ deelname aan het WK is voor de KNVB. Dat is het – deze editie – zeker niet, maakt ze duidelijk.
“Het lukt waarschijnlijk niet om break-even te draaien”, voorspelt Van Leeuwen, die vervolgens de verwachtingen van de bond deelt. “Als je onze prognose ziet, dan verdienen we pas echt geld als je eerste wordt. Dan houden we een behoorlijk bedrag over.” Bij een toernooizege houdt de KNVB rekening met zes miljoen euro winst. Een nederlaag in de finale zou daarentegen juist het duurst zijn van alle resultaten. In dat geval moet de bond namelijk wel alle kosten maken die ook bij een overwinning komen kijken, maar ontvangt het niet het prijzengeld. “Dan kom je uit op een min van twee miljoen euro.”
Eindigt het toernooi in Noord-Amerika voor Oranje eerder, zal de KNVB zeer waarschijnlijk ook verlies lijden. “Bij alle andere plekken zit je tussen de nul en de min één miljoen euro”, aldus Van Leeuwen. “Amerika is een heel duur land. Als je de prijzen van de hoteltickets en de vliegtickets ziet. Dat is echt niet normaal.” De KNVB is er dan ook niet over te spreken dat landen die deelnemen aan het WK niet eens break-even kunnen draaien. Dit heeft volgens de bond vooral te maken met de manier waarop de FIFA de inkomsten verdeelt: die gaan namelijk naar alle landen, ook die niet deelnemen aan het WK. De KNVB zou liever zien dat het geld eerst naar de deelnemers gaat, zodat zij geen verlies lijden. Wat overblijft zou dan onder de overige bonden verdeeld kunnen worden. “Wij vinden het niet terecht dat je als deelnemend land verlies draait. En daarin zijn wij niet de enigen”, besluit Van Leeuwen.